Inleiding Casas-Andaluzas:
In de meeste authentieke huizen van Casas-Andaluzas treft u nog echt de kenmerken van de traditionele architectuur van Andalusië aan. Een aantal dorpswoningen ligt nog in de nauwe straatjes, heeft witte gevels, nisjes met beelden en balkonnetjes met planten.
Zelfs een aantal appartementen in het binnenland beschikt over deze oude Andalusische traditionele kenmerken. Bovendien zijn in veel van onze finca’s (villa / boerderij ) nog grote kamers te vinden die vroeger als opslagplaatsen werden gebruikt en treft u in deze woningen nog de oude houten balken of zelfs een molensteen aan. Bij een aantal vakantiewoningen wordt sinds kort de oude waterbron of deposit gebruikt voor het modernere zwembad.

1.
Spaanse Kunst en Architectuur
Altamira
Tot de oudste bewaard gebleven kunstuitingen op het Spaanse grondgebied behoren
de beschilderingen in De Cuevas de Altamira (de Grotten van Altamira)
(Cantabria, Noord-Spanje) uit ca 13.000 vC Torens, altaren en grafkamers uit
de bronstijd zijn bewaard gebleven in Menorca, en op andere plaatsen in
Castillia. Langs de oostkust zijn de eerste voorbeelden van Iberische kunst uit de IJzertijd
gevonden (Toros de Guisando, Dama de Elche).
De Feniciërs
Vanaf de 11e eeuw vC stichtten de Feniciërs nederzettingen langs de Spaanse
Middellandse-Zeekust en lieten sporen van hun cultuur achter aan de
Andalusische kust (Adra, Cadiz), aan de oostkust (Cartagena) en op Ibiza.
De Grieken
stichtten in de 7e eeuw vC hun kolonies langs de
oostkust (Ampuries, Roses), maar de Romeinse verovering van
het Schiereiland in 218 vC betekende de intocht van een krachtige en machtige
beschaving.
Romeinse
kunst
De romanisering was zo diepgaand dat ook Spanje keizers, intellectuelen en
militairen zou leveren, terwijl het land grote infrastructuren erfde
(geplaveide wegen, mijnen, steengroeven, aquaducten, bruggen). In talrijke
steden (Tarragona, Barcelona, Mérida) en ruïnes van veel andere
plaatsen (Cuenca, Soria, Sevilla en Malaga) is deze erfenis nog bewaard
gebleven: aquaducten (te Segovia en Tarragona), bruggen (Salamanca, Mérida,
Alcántara), theaters (Mérida, Sagunto, Santiponce), tempels (Tarragona, Mérida)
en natuurlijk
allerlei andere kunstuitingen en gebruiksvoorwerpen. De musea van Mérida en
Tarragona zijn fundamenteel vanwege hun uitgebreide
collecties.
Visigoten
Na de Romeinen
kwamen in de 5e eeuw de Westgoten, wier kunst zowel Noordafrikaans
als Byzantijns
beïnvloed was. Zij leverden op hun beurt een bijdrage aan
de Spaanse rijkdom: de visigotische cultuur, gevestigd in
Toledo, vormde het belangrijkste verbreidingspunt.
De Middeleeuwen
Een smeltkroes van culturen.
De komst van de Arabieren
in het jaar 711 en hun voortdurende aanwezigheid in de acht daarop
volgende eeuwen, heeft een sprankelende beschaving tot leven gebracht die een
formidabele brug vormde tussen Oost en West. De invloed van de Islam was zo diepgaand dat
zelfs de christelijke
stijl hiervan doordrenkt geraakte.
Er kwamen twee eigen stijlen: de mozarabische stijl vertegenwoordigde de christelijke minderheden,
en de mudejarstijl de Arabische
minderheden.
De kunstuitingen van de joodse
gemeenschap vormden de derde cultuur in de smeltkroes
van het Spaanse land gedurende verscheidene eeuwen.
De jodenwijken, rituele badplaatsen en synagogen (Transito en Santa Maria la Blanca in Toledo,
die van Córdoba) zijn hier uitgesproken voorbeelden van.
Moorse kunst
Na de inval van de Moren (711) en de stichting van het kalifaat van Córdoba
(756) kende men in Spanje naast elkaar een christelijke en een ArabischeEuropa.
De Arabieren
wisten de christelijke,
hellenistische en Perzische elementen samen te voegen
tot een eigen hoogstaande islamitische
cultuur. Deze Moorse ( Arabische ) cultuur
kenmerkte zich door prachtige versieringen in de moskeeën. De Moorse
invloed bleef ook bestaan toen de Romaanse
kunstgotiek
opkwamen. De zogenaamde Mudéjarstijl
kenmerkte zich door een mengeling van de vele bouwstijlen. Er werd baksteen
gebruikt, geglazuurde tegels en ingewikkelde geometrische motieven.
In Zuid-Spanje bleef de Moorse stijl tot in de 15e eeuw toonaangevend, zoals in
het Alcázar van Sevilla, een burcht waarvan de bouw in de tweede helft van de
14e eeuw begon. Het Alhambra (Granada) stamt uit de 13e en 14e eeuw.
De islamitische kunst zou in de Xe eeuw,
tijdens de Kaliefperiode, tot de grootste bloei komen. De moskee van Córdoba en de
dichtbij gelegen paleisstad Medina Azahara zijn de beste voorbeelden van deze
kunst. Uit de Taifa periode
(Xle eeuw) stammen de citadel van Malaga en de Aljaferia van Zaragoza. Uit de
daarna volgende Almohadenperiode dateren de Giralda en Torre del Oro in
Sevilla.
De Nazarikunst, in het kleine koninkrijk Granada, zou in de XlVe en XVe eeuw
prachtige voorbeelden leveren van de toen heersende ornamentele smaak, met als
onbetwist hoogtepunt het geheel aan bouwwerken dat het Alhambra van Granada
vormt en de bijbehorende tuinen van de Generalife.
Romaanse
kunst
De christelijke cultuur zou het ontstaan van de Romaanse
kunst inluiden. Hij zou leiden tot de latere
ontwikkeling door byzantijnse
(Zamora) en Franse
In de twaalfde eeuw riep Sancho II van Navarra de monniken van Cluny te
hulp. Zij moesten het verzet van de Spaanse christenen tegen de Moren
helpen organiseren. Het waren deze Franse geestelijken
die de Romaanse
architectuur
naar het schiereiland brachten. Vooral in Asturië en Galicië verrezen
indrukwekkende Romaanse
kloosters en kerken.
Kastelen en kloosters
kleuren een periode die in de tijd van
de kathedralen
zijn esthetisch hoogtepunt zou bereiken. In de Romaanse
tijd was de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela van vitaal belang. Er
werden veel kerken
gebouwd (San Martin de Frómista, San Isidoro de León, kathedraalkathedraal in Santiago
zelf vormt het hoogtepunt van de Romaanse
bouw- en beeldhouwkunst
in Spanje. De sculptuur
van het portaal is duidelijk Zuidfrans beïnvloed.
De bouwkunst
uit deze periode
van de Spaanse cultuurhistorie
kenmerkt zich door uniformiteit. Van de meeste middeleeuwse kerken en kathedralenbogen brachten wat meer
geborgenheid in het vaak weinig aansprekende interieur van de kerken in die tijd. In Catalonië,
dat altijd een sterke band met Italië heeft gehad, zijn
in de façades van de Romaanse kerken Lombardistische bogenreeksen terug te
vinden.
De schilderkunst,
zowel in fresco
als op paneel,
bloeide in Catalonië; de strakke stijl ontleende zijn vormentaal aan de Byzantijnse kunst.
De Gotiek
Vanaf de dertiende eeuw nam met de komst van de monniken van Citeaux
de Franse
invloed in Spanje toe - en daarmee kwam de gotiek op het
Iberisch Schiereiland tot ontwikkeling. Vanuit Frankrijk werd in het noorden de gotiek
verbreid, waarvan in de religieuze
bouwwerken van Burgos,
Toledo, León, Palma en Girona de meest betekenisvolle voorbeelden zijn weer te
vinden.
De gotiek onderscheidt zich door een geraffineerde vlakvorming en accentuering
die je verkrijgt door een aaneenschakeling van profielen, bogen en ribconstructies.
Typisch gotische
scheppingen zijn onder andere de kloosters van Poblet en
Santes Creus in Catalonië. Dat geldt ook voor de abdijen van Veruela en Piedra
in de provincie Zaragoza en die van Fitero in het uiterste zuiden van de
provincie Pamplona. Ook de kathedraal van Tarragona
is uitgesproken gotisch
van karakter.
Het beroemde vrouwenklooster van Las Huelgas, dat in de omgeving van Burgos
ligt, gold in de twaalfde en dertiende eeuw als de machtigste abdij op het
Iberische schiereiland. Nu is het een van de mooiste gotische monumenten
van de cisterciënzerorde in Spanje.
De kathedraal
van Toledo, waaraan in 1227
werd begonnen, komt sterk overeen met die van Bourges in Frankrijk. Een ander
voorbeeld van Frans-Spaanse
gotiek is de kathedraal van de Noord-Spaanse stad Burgos.
De eerste bouwmeester was een Fransman. Hoewel er tot ver in de zestiende eeuw
aan deze kathedraal is gebouwd, is de authentieke stijl bewaard gebleven. Dat
geldt niet voor de van oorsprong gotische
kathedraal van Sevilla, die nu een bonte chaos aan bouwstijlen laat zien.
Terwijl de gotische
beeldhouwkunst
geheel onder invloed van Frankrijk
en Duitsland
stond, werd de schilderkunst
beïnvloed door Toscane
en de Nederlanden.
Kenmerkend voor de Spaanse architectuur
in de overgang van late gotiek naar Renaissance is de door ornamentiek overwoekerde
platereske stijl. Bij het begin van de XVe eeuw heeft de met ornamenten overladen
gotische stijlvariant belangrijke bouwwerken opgeleverd zoals bijvoorbeeld de
kathedraal van Sevilla, de Hospitales Reales van Santiago, Granada en Toledo,
het klooster
van San Juan de los Reyes (Toledo) en het Palacio del Infantado (Guadalajara).
Spaans glas
Sinds de Romeinse
tijd werd in Spanje glas
met een islamitische
inslag geproduceerd, maar door contacten via de handel en zeevaart gingen de
Catalaanse glasblazers
aan het eind van de 15de eeuw het Venetiaanse
glas namaken. Dit is
meestal gelig van tint,
en toch nog met Moorse invloed. Alleen het gebrandschilderde decor was van een
onafhankelijke eigen Catalaanse stijl.
Renaissance
In Europa ontstond
halverwege de veertiende eeuw het verlangen naar een nieuwe levensstijl. Deze
'wedergeboorte' vond zijn oorsprong in de Klassieke Oudheid. Zaken
als redelijkheid, verstand, individualisme en gevoel kregen een plaats in de
cultuur. Spanje daarentegen bleef vasthouden aan mystiek en symboliek,
kenmerken van de Middeleeuwen.
In de traditionele kerkelijke eenheidscultuur paste het streven naar
individualisme niet.
Via de literatuur
en de schilderkunst
won de Renaissance
in de loop van de vijftiende eeuw echter ook ten zuiden van de Pyreneeën aan
betekenis. De lyrische
poëzie van Garcilaso is
daar een voorbeeld van. Hij schreef zijn meeste gedichten in Napels; de Italiaanse invloed op zijn
werk is dan ook groot geweest. Zijn poëzie werd in de
zestiende eeuw al als klassiek
beschouwd. Klassiek
is ook het werk van Miguel
Cervantes (1547-1616). Zijn beroemde boek Don Quichote
de la Mancha , dat in 1605
werd gepubliceerd, wordt tot de hoogtepunten uit de wereldliteratuur gerekend.
Het verhaalt van een edele ridder
en een trage, dikke schildknaap die de tegenstelling belichamen tussen
idealisme en materialisme.
In het begin van de 16e eeuw kreeg de Italiaanse renaissancistische schilderkunst invloed van
betekenis. De invloed van de Italiaanse Renaissance is ook terug
te vinden in het werk van de Spaanse beeldhouwer
Alonso Beruguette, leerling van Michelangelo,
en de later beroemd geworden portretschildersVelázquez.
Ook binnen de Spaanse Kerk
ontstonden stromingen die op vernieuwing en verandering aanstuurden. Theresia
d'Ávila (Theresa van Ávila) en Juan de la Cruz
(Johannes van
het Kruis) - beiden later door
Rome heilig verklaard -
publiceerden geschriften waarin de ideeën van Erasmus werden
uitgedragen. Theresa, geboren in 1515, koppelde wijsheid
aan gezonde daadkracht en stichtte de congregatie van de Ongeschoeide
Karmelietessen. Zij stierf in 1582
in Alba de Torres, een dorp
ten zuidoosten van Salamanca Daar staat een levensgroot standbeeld van haar
naast een nooit voltooide kloosterkerk.
De ontdekking van Amerika
(Archivo de Indias te Sevilla) en de humanistische Renaissance
hebben enkele schitterende voorbeelden uit de XVIe eeuw opgeleverd zoals de
gevel van de universiteit
van Salamanca, de kathedraal en het paleis van Karel V te Granada en, in
de sobere stijl van Herrera, het Klooster van San Lorenzo
de El Escorial. De koloniale kunst uit Amerika ( Mexico, Cuzco,
Lima, La Habana) liet zijn sporen ook in Spanje na.
Schilders als Morales
en El Greco en
beeldhouwers als Berruguete zouden de voorlopers zijn van wat later bekend werd
als de Spaanse Gouden EeuwGregorio
Hernandez, Martinez Montanés, Francisco Salzillo) en schilders ( Diego
Velazquez, Zurbaran, Ribera, Murillo).
El Greco (1541-1614) kunstvorm, die elkaar
wederzijds hebben beïnvloed en vrij geïsoleerd stonden van de ontwikkelingen
elders in en later de invloeden (Catalunya). van Santiago). De werden delen van
het schip afgescheiden door de pilaren om en om te accentueren. Daardoor traden
ze afwisselend op de voorgrond. Later kregen de traveeën (gewelfvlakken) elk
een eigen kruisgewelf. De ronde Couello en (XVIIe eeuw). Die omschrijving
vloeide voort uit de bijdrage van de fantasierijke beeldhouwers (
In hetzelfde jaar dat Johannes
van het Kruis
zuchtte in de kerker, begon El Greco
zijn roemrijke kunstenaarsbestaan. El Greco (de Griek) was
oorspronkelijk afkomstig van Kreta. Na als leerling te hebben gewerkt in de ateliers van de Italiaanse meesters Titiaan en Tintoretti
vestigde hij zich in 1577
in Toledo.
Een van de beroemdste
doeken van zijn hand is De begrafenis van Grant Orgaz dat hij tussen 15841588 schilderde. Het hangt
in een zwaar beveiligd bijgebouw van de kerk van Santo Tomé in
Toledo. De gedetailleerde weergave van de Spaanse adel en geestelijkheid
en het weergaloze paletTitiaan. El Greco is op dit doek zelf
ook te zien (zesde figuur
van rechts). Het
werk van El Grecomystieke, bovennatuurlijke
zonlicht zoals dat alleen bij deze schilder vanachter
uiteengerafelde wolken te voorschijn kon komen. Ook de gedempte, ingehouden kleuren spraken de
opgewonden Spaanse volksziel aan. Dit alles maakte El Greco tot een typisch
Spaanse schilder.
Hij stierf in Toledo, 73 jaar oud, in de stad die Cervantes
'het licht
der kunsten' heeft genoemd.
Barok
Onder Filips II
werd in 1563
begonnen aan de bouw van El Escorial bij Madrid, waarin de functies
van paleis en klooster
zijn gecombineerd; qua stijl houdt het het midden tussen Renaissance en een
sobere versie van de barok.
De barok werd aan het eind
van de 17e eeuw uitbundiger.
De schilderkunst had in de 16e, 17e eeuw een nieuwe impuls gekregen door het
werk van El Greco.
In de 17e eeuw ontstond er een schilderschool te Madrid onder leiding van Diego
Velázquez, die vooral door zijn vorstenportretten beroemd is
geworden
Spanje leverde tijdens de barokverheerlijking werken van ongekende schoonheid
op zoals de koninklijke
paleizen van La Granja, Aranjuez en Madrid.
In de 18e eeuw ontstonden er grote, rijk gedecoreerde altaren; beroemd is het
zgn. Transparente, een altaarstuk
van Narciso Tomé in de kathedraal van Toledo.
In de schilderkunst van de 18e eeuw werd de toon aangegeven door
buitenlanders zoals Anton Raphael
Mengs en Giovanni
Battista Tiepolo.
Tijdens het neo-classicisme
kwamen werken tot stand zoals het Pradomuseum te Madrid en verscheen de
geniale schilder
Francisco de Goya. een
ware voorganger
van de huidige schilderkunst.
Francisco de Goya (1748-1828)
Aan het eind van de 18e eeuw bereikte de Spaanse kunst een nieuw hoogtepunt met
de vorstenportretten en etsen
van Francisco Goya. De invloed
van Francisco de Goya op de
Spaanse beeldende
kunst is bepalend geweest. Het zijn vooral de indringende portretten, de fresco's
(muurschilderingen in waterverf
op verse natte kalk) en de
beladen doeken uit zijn 'zwarte
periode' over de Napoleontische
gruweldaden, die het werk van deze Spaanse meester tot een reisdoel op zich
maken. De belangrijkste werken van Goya hangen in het Prado
in Madrid, waar ook een deel van zijn stillevens en etsen zijn te bewonderen.
In de 19e eeuw werden de in Europa
heersende stijlen nagevolgd, die echter in Spanje geen eigen gezicht kregen.
De hoeveelheid aan stijlen in de XlXe eeuw komt tot rust bij de romantiek met de in die
tijd heersende voorkeur voor historische - en zedenschilderingen ( Benlliure,
Sorolla).
art nova
Aan het eind van de negentiende eeuw ontwikkelde de toegepaste kunst zich in Europa tot een unieke
decoratiestijl: art nouveau
of Jugendstil.
De Spanjaard
Antonio Gaudí
í Cornet paste de ideeën van de art nova
voor het eerst in de architectuur
toe. Hij liet - in zijn geliefde stad Barcelona - een weergaloze erfenis achter
van bizarre, fascinerende woonhuizen, flats, parken ( Parque Güell ) en zelfs
een kathedraal, de Sagrada
Familia.
Moderne Spaanse kunst
Met Picasso
en Gris
had Spanje twee van de grondleggers van het kubisme, Salvador Dali en Joan Miró zouden
sleutelfiguren worden in het surrealisme en de abstracte
kunst. Andere Spaanse kunstenaars uit deze
periode zijn Godofredo Ortega Muñoz, Oscar Domínguez, Fransisco
Bores, Benjamin Palencia
Het revolutionaire klimaat in Spanje na de eeuwwisseling en de burgeroorlog van
1936 zette een rem op de
ontwikkeling van de moderne kunst
in Spanje. Veel kunstenaars
verlieten het land en vestigden zich in Parijs. Onder hen Picasso, Miró, Juan Gris en Dalí. Ondanks dit gegeven
is hun leven en werk bepalend geweest voor de ontwikkeling van de moderne kunst in Spanje in
de twintigste eeuw.
Parijse
School van de jaren ‘50 ( Francisco
Bores en Hernando Viñes),
de uitloper van het surrealisme
( José Paredes Jardiel),
de lyrische
abstractie van Hernández Mompó,
het informalismo met Antoni Tàpies,
Antoni Clavé en de groep El Paso met Luis Feito,
Tápies moest Spanje in de jaren zestig en
zeventig opstuwen in dezelfde vaart der volkeren als Picasso, Dalí en Miró daarvoor hadden gedaan.
Als grondlegger van de materieschilderkunst
had Tápies daarvoor ook goede papieren.
de expressionistische
en gebarenfiguratie van Antonio Saura,
de Spaanse deelname aan de School van New York ( José Guerrero),
de lezingen van de pop
van de Equipo Crónica, Eduardo Arroyo,
Rafael
Canogar, Juan Genovés,
Luis Gordillo of Manolo Valdés,
de groep van de jaren ‘80 ( Menchu Lamas, José Manuel Broto en Ferrán García
Sevilla).
De Spaanse bijdrage aan de kunst van de laatste decennia komt van de hand van
uitnemende figuren uit de architectuur
en schilderkunst ( Sert, Bofill. Calatrava, Antonio López, Barceló) die werken
met een sterke individuele persoonlijkheid hebben opgeleverd. In de beeldhouwkunst
van de laatste jaren trokken Eduardo
Chillida, Susana Solano
en Juan Muñoz
de aandacht.
Meer recent is Alicia Framis
het boegbeeld van de Hedendaagse
Spaanse Kunst.
Literatuur
Begin twintigste eeuw vormde de schrijver José Ortega y
Gasset (1883-1955) het middelpunt van
een nieuwe stroming Spaanse schrijvers. Ortega maakte
internationaal naam met zijn in tientallen landen vertaalde boek La Rebellion de
las Masas (Opstand der horden). Als een van de weinigen van
zijn generatie bepleitte hij daarin dat intellectuelen de massa zouden
voorgaan.
Rond het einde van de jaren twintig stond een generatie dichters op die de Spaanse
poëzie tot een korte maar
grote bloei bracht. Veruit de belangrijkste exponent van deze 'Generatie van 1927' was Federico
García Lorca (1898-1936).
Franco's
cultuurbeleid benam een hele generatie schrijvers de vrijheid van
meningsuiting. Wie het land niet ontvlucht was, vluchtte in nietszeggendheid.
Behalve Camilo Jasé
Cela
(1916) die zich met zijn karikaturale en satirische schetsen van de
franquistische maatschappij tot de belangrijkste Spaanse schrijver onder Franco
ontwikkelde.
Na de dood van Franco
bleef de verwachte opbloei van de literatuur uit. Daar
veranderde het korte ministerschap (1988-1991) van de schrijver Jorge Semprum in
het socialistische
kabinet van premier
González weinig aan. Tot de schrijvers die in de jaren tachtig en negentig
zowel in Spanje als daarbuiten naam maakten, behoort Javier Marías (1952). Hij debuteerde met
de roman Een man
met gevoel. Literatuurcritici zien in hem de opvolger van Cela.
Tot María's generatiegenoten behoren de schrijvers Juan José
Millás, Antonio Muñoz Molina, Félix de Azúa en Eduardo Mendoza. en waarmee
kleding en wapenuitrusting op het doek zijn gezet, doen sterk denken aan het
werk van sprak sterk tot de verbeelding van de Spanjaarden. Met name het
2. De
Spaanse Architectuur
De Spaanse architectuur wordt gekenmerkt door bouwstijlen van verschillende
culturen. Zo zijn er de Moorse bouwstijl, die afkomstig is uit Noord Afrika
(Islamitische stijlen), Romaanse en Gotische stijlen uit Frankrijk en de
renaissance stijl uit Italië. Hetgeen deze verschillende stijlen zo uniek maakt
is het feit dat al deze voor Spanje vreemde stijlen toch met een typische
Spaanse manier zijn ontwikkeld. Hierdoor lijkt Spanje dus een eigen stijl te
hebben ontwikkeld terwijl de originele stijl afkomstig is van vreemde landen en
culturen. De Spaanse architectuur wordt gekenmerkt door scherpe contrasten
tussen lichte en donkere partijen, afwisseling tussen soberheid en overdadige
decoratie en dikke muren met kleine ramen om het zonlicht en de warmte buiten
te houden. De stijlen verschillen van streek tot streek en geven het Spanje
weer van voor de eenwording. Sinds de Moorse (noord Afrikaans) overheersing
staat de bouwvorm van een centrale patio, omringd door arcaden centraal. De
oudste werkzaamheden van architectuur in Spanje zijn toe te schrijven aan de
megalythicale cultuur van ongeveer 3000 v.C.
Veel Romaanse (8ste eeuw tot en met de 13de eeuw) Spaanse monumenten zijn
gelukkig ook behouden, waaronder de belangrijkste zijn het grote aquaeduct van
Segovia en het amphitheater van Merida.
Romaanse kerken werden vooral gebouwd in Catalonie en langs de
pelgrimsroute naar Santiago. Kenmerken van Romaanse architectuur en dan
voornamelijk de kerken zijn ronde bogen, dikke muren en weinig ramen.
Vanuit de tijd van de Moren is ook veel mooie Spaans erfgoed overgebleven. De
Moren hebben in de toenmalige tijd (8ste tot 15de eeuw) veel welvaart naar
Spanje gebracht. Het Moorse rijk was zeer ver ontwikkeld in onder andere
wiskunde, dichtkunst en geografie. De Moren bewaarden de mooiste decoraties van
hun architectonische bouwwerken voor het interieur, waarin geometrische,
kalligrafische en florale motieven in tegels of stucwerk werden aangebracht. De
Moren maakten veel gebruik van de zogenaamde hoefijzerboog van de Visigoten.
Voorbeelden van Moorse architectuur zijn vooral te vinden in Zuid Spanje. Zo
staat in Cordoba
één van de meest mooie Moorse Moskeeën en deze wordt door vele toeristen
jaarlijks bezocht.
Vanuit Frankrijk kwam in de 12de eeuw de Gotiek naar Spanje. Tijdens de
Gotische periode (12de-16de eeuw) werden de ronde bogen van voorheen vervangen
door spitsbogen die hogere gewelven en ramen mogelijk maakten omdat deze
sterker waren. Gebeeldhouwde Gotische versieringen kwamen het meest voor in de
flamboyant-gotsiche stijl van de 15de eeuw. Na de val van Granada
kwam nog de laat gotische stijl van Isabella op. In dezelfde tijd ontwikkelden
Moorse ambachtslieden in heroverde gebieden de zeer decoratieve christelijk
islamitische mudejar stijl. De Christenen die op Moslimgrondgebied leefden
werden Mozarabes genoemd en zij hadden een bijzondere architectonische stijl
die Visigotische bouwtechnieken en caliphallische stijl combineerden. Nadat het
Spaanse land op de Moslims (Moren) werd heroverd bleven de Moorse architecten
achter en ontwikkelden een andere nieuwe stijl die hun traditionele architectuur
met Romanesque en Gotische elementen combineerde deze stijl die dus mudejar
stijl werd genoemd.
Rond 1500 werd er in Spanje onder invloed van de Renaissance (16de eeuw) een
nieuwe stijl ontwikkeld. Italiaanse ambachtslieden en Spaanse kunstenaars die
in Italië hadden gestudeerd namen inspiratie vanuit mee voor de ontwikkeling
van een nieuwe stijl. De renaissance greep terug op de bouwstijl van het oude
Rome die wordt gekenmerkt door symmetrie en gebruik van de rondboog, Dorische,
Corintische en Ironische zuilen. Vroege Spaanse renaissancistische architectuur
heet plateresk omdat de detaillering op het werk van een zilversmid (platero)
lijkt. Een van de meest representatieve monumenten van Plateresk is de
Universiteit van Salamanca.
Na de Renaissance kwam het tijdperk van de Barok (17de-18de eeuw). Het tijdperk
van de Barok kwam voort uit een verlangen naar drama en beweging. De versiering
werd extravagant met overdadig beeldhouwwerk en gedraaide zuilen. De overdreven
Barokke churriguereske stijl is genoemd naar de architecten familie
Churriguera, maar werd vooral uitgedragen door hun opvolgers. Twee
tegenovergestelde barok kenmerken van Architectuur kunnen worden waargenomen:
de werkzaamheden van Juan Herrera zijn opmerkelijk streng (b.v. Klooster Gr
Escorial, dicht bij Madrid) terwijl Churriguera uiterst rijke ornamenten
gebruikte. In de regio Galicie
bestaat een andere variatie van barokke stijl, de zogenaamde Baroco
Compostelano, met Santiago de
Compostela als zijn barokke centrum.
Ten tijde van het Modernisme (laat 19de eeuw tot aan nu) speelde Spanje opnieuw
een hoogst belangrijke rol. Het opmerkelijkst misschien zijn de werkzaamheden
van Antoni Gaudi
in Barcelona,
zoals zijn grote Kathedraal
Sagrada Familia. Tot vandaag is Barcelona
in het bijzonder een centrum van moderne en zelfs futuristische architectuur
gebleven.